Spinoza’ Brieven over het Kwaad

Schuld, straf en deugd

Bovenstaande opvattingen van Spinoza hebben verregaande praktische consequenties. Ze raken aan concrete en praktische zaken als zonde, schuld en straf, maar ook aan vergeving, verdienste en deugd. Als er geen kwaad en geen zonde bestaan is er geen schuld. Dan is vergeving ook een zinloos begrip. Maar aan de andere kant zijn er dan ook geen verdienste, lof en deugd. In de praktijk betekent dit dat er ook geen straf en beloning kunnen zijn. Willem van Blijenbergh begrijpt heel goed de praktische consequenties van Spinoza’s standpunt en spreekt hem daarop aan. Spinoza legt hem uit dat god inderdaad geen persoon is die straft en beloont, maar dat wat mensen straf en beloning noemen, intrinsiek in de natuur meegegeven is als een consequentie van de handelingen zelf. ‘Het loon van de deugd is de deugd zelf,’ zal Spinoza later schrijven aan het einde van de Ethica.

Maar Van Blijenbergh kijkt naar zichzelf en blijft Spinoza vragen waarom hij dan deugdzaam zou zijn in plaats van ‘schelmerijen’ uithalen. En waarom zou hij dan nog denken aan de gevolgen, en zijn keuzes overwegen, en uit angst voor straf afzien van wat hij allemaal zo graag wil doen? Hij dicht impliciet aan zichzelf─en aan anderen─ toe dat men alleen uit angst voor straf het ‘kwaad’ niet doet dat men dus eigenlijk wel wil doen. Hij schrijft aan Spinoza: ‘Ook kan ik niet voor me houden dat het me in hoge mate verwondert wanneer u zegt: indien god een vergrijp niet zou straffen (dat wil zeggen als rechter, en met een straf die niet vanzelf uit het vergrijp zou voortvloeien; want alleen daarover gaat het nu), welke overweging weerhoudt mij er dan van gretig alle mogelijke misdaden te begaan? Werkelijk, wie dit alleen uit angst voor straf nalaat (wat ik van u niet wil hopen), die handelt helemaal niet uit liefde en omhelst allerminst de deugd. Wat mijzelf betreft, ik laat die dingen na, of probeer ze in elk geval na te laten, omdat ze uitdrukkelijk in strijd zijn met mijn specifieke aard en mij zouden verwijderen van de liefde tot en de kennis van god.’ Spinoza legt hem opnieuw uit dat god geen mens is die men door een of andere daad behaagt of boos maakt. Gods wil is niet te overtreden, dus is het onzin dat god zou straffen terwijl hijzelf oorzaak van alles is. Maar in de natuur heeft bepaald gedrag wel consequenties. Er is verschil tussen ziek en gezond en ook tussen stelen en een aalmoes geven. Te veel eten of drinken geeft lichamelijk ongemak. En bij een bepaald gedrag, zoals stelen, zullen andere mensen vanzelf maatregelen nemen tegen de dief en hem bijvoorbeeld gevangenzetten. De dief heeft weliswaar geen vrije wil en is dus niet verantwoordelijk voor zijn daad, maar daarmee ontloopt hij nog niet de reacties en de maatregelen van andere mensen. Mensen zijn voor Spinoza onderdeel van de natuur, en het is even natuurlijk om maatregelen te nemen tegen ongewenst en schadelijk gedrag van andere mensen als wij gewend zijn te doen tegen andere natuurverschijnselen, waaronder dieren.

Schuldgevoel of berouw is voor Spinoza een nutteloze trieste passie. Het is lijden dat veroorzaakt wordt door een inadequate voorstelling, namelijk het geloof in een vrije wil. Niet alleen schuldgevoelens, maar ook irritaties, haat en jaloezie zouden we niet hebben als we zouden beseffen dat ‘uit de noodzaak van de goddelijke Natuur eindeloos veel dingen op eindeloos veel wijzen volgen’.

Schuldgevoel ontstaat uit gebrek aan zelfkennis en kennis van anderen, dus uit onwetendheid, of uit ‘kennis’ van de eerste soort, de verbeelding. Met de kennis van de tweede (rede) en de derde soort (innerlijk weten dat alles een oorzaak heeft) is het niet meer mogelijk om schuldgevoel, irritatie en dergelijke te hebben.

Spinoza probeert nog een laatste manier waarop hij Van Blijenbergh wil laten inzien dat het voor een mens nooit mogelijk was om in een concrete situatie anders te handelen dan hij of zij heeft gedaan. Hij legt daarbij een denkfout bloot die veel mensen nog altijd parten speelt. Bij schuldgevoel kijkt men terug naar een situatie waarin men een keuze heeft gemaakt waarvan men achteraf vindt dat men die niet had mogen maken of anders had moeten maken. De illusie dat dit ook had gekund, ontstaat doordat iemand daarbij niet denkt aan de persoon die hij of zij op dat moment in die concrete bepaalde situatie was. Men denkt impliciet aan zichzelf in een andere situatie, op een andere dag, in een andere stemming, of aan andere mensen en mensen in het algemeen in een dergelijke situatie. De gedachte dat men gefaald heeft, ontstaat dus door een vergelijking met een andere toestand waarin men mogelijk wel iets anders had gekund. Maar op het moment van het ‘falen’ kon iemand kennelijk niet anders. Dit onderscheid tussen de ‘concrete mens nu’ tegenover abstract, algemeen, generaliserend denken als het gaat om ‘niet anders kunnen’ illustreert het verschil tussen de drie soorten van kennen, en laat de consequenties daarvan zien voor ons gemoedsleven. Door de verbeelding ontstaan de passieve affecten, waaronder schuldgevoel. Zo schrijft Spinoza in deKorte Verhandeling dat ‘de (Passien) Lydinge uyt de waan komen te ontstaan’.

Met de rede kennen we algemene wetmatigheden, maar deze helpen ons niet om de passies te laten verdwijnen. Integendeel, vaak ‘vermeerdert kennis smart’ wanneer men weet dat iets wat men gedaan heeft voor anderen niet prettig is. Maar in het intuïtieve kennen ziet men de individuele concrete handelingen en zaken, waaronder het eigen handelen, in het licht van de natuurlijke wetmatigheid ofwel de goddelijke almacht, in ‘het licht van de eeuwigheid’. De illusie van de vrije wil, de hoogmoed van het denken dat men anders had kunnen doen, en het idee van schuld zijn hiermee verdwenen.

Spinoza’s uitleg maakt Van Blijenbergh niet wijzer. Het betoog van de Dordtse handelaar wordt tot het laatst gekenmerkt door het beeld van een persoonlijke, antropomorfe god en door moralisme. Spinoza wijst hem hier herhaaldelijk op, maar Van Blijenbergh reageert niet op de begripsverhelderende opmerkingen. Hij is ook niet gevoelig voor de inhoudelijke, filosofische argumenten van Spinoza. Spinoza geeft het na drie lange brieven op, een illusie armer, maar een ervaring rijker.

Ik vermoed dat het deze ervaring is geweest die hem ertoe heeft gebracht om het werk aan deEthicaeven te laten rusten. De tijd was nog niet rijp, er was nog voorwerk te doen. Het was niet de verbanning in 1656 uit de Amsterdamse Portugees-joodse gemeenschap. Die lag al bijna tien jaar achter hem en heeft hem misschien niet zo erg geraakt. Het was waarschijnlijk de briefwisseling met Van Blijenbergh die Spinoza verwerkt heeft (in dubbele zin) wanneer hij in de vijf jaar daarna aan zijnTheologisch-politiek traktaat werkt.

Spinoza schrijft een paar maanden later in hetzelfde jaar in een brief aan een andere correspondent, Henry Oldenburg, de secretaris van de Royal Society in Londen, over zijn motieven waarom hij op dat moment dit traktaat schrijft. Drie beweegredenen heeft hij: de vooroordelen van de theologen, die ‘voor de mensen een belemmering zijn zich op de filosofie toe te leggen’, de herhaaldelijke beschuldigingen aan zijn adres van atheïsme, en ‘de vrijheid om te filosoferen en te zeggen wat we denken; voor deze vrijheid die hier vanwege het al te grote gezag en de brutaliteit van de predikanten op alle mogelijke manieren wordt onderdrukt, wens ik met alle middelen op te komen’.

Advertenties